een ode aan de lente

Het ruikt naar lente, ik ruik
zon, regendruppels, bloemen
het klinkt als lente; ik hoor
vogels zingen en bijen zoemen


Bruine huidjes op de straat, sproeten
die op wangen verschijnen
verbrande schouders zo hier en daar, en
burgers die elkaar met ijsjes verblijden


Jurkjes fladderen rond mijn benen, en
vlinders fladderen door mijn lijf
nog verliefder dan normaal ben ik
- want; het is eindelijk lentetijd. 

vervreemd

Opgesloten, en toch voelt het
leeg
haar eigen lichaam, en toch voelt het
vervreemd


Een geest die bergen wil verzetten
grenzen wil verkennen
maar de plek waar ze in huist
werkt niet mee


Haar lichaam, haar thuis
voelt als dat van een ander
haar lichaam, haar thuis
als een hulsel, zo leeg


Er rest alleen nog heimwee;
een verlangen naar
hoe het vroeger was
en tijdens dat verlangen


voelt ze zich alleen.  

een waterig verlangen

Verlangen doe ik naar;
het water in de kraan
het water in de sloten
dat water in je glas, ja


Verlangen doe ik naar;
de druppels uit mijn ogen
zo krachtig, zo kwetsbaar
zo onaantastbaar, ja


Het vermogen
om alle problemen, alle blokkades
langs te kunnen stromen
- daar verlang ik naar


We bestaan dan wel voor een groot deel uit water, maar
was ik maar zo onverwoestbaar, zo flexibel en zo vormbaar.

Vannacht lag ik in bed piekerend bij te komen van de enorm klamme hitte. Ondanks de warmte lag de deken half over mijn benen en voeten heen - zonder deken kan ik niet in slaap vallen. Mijn zolderkamer is op zulke zomerdagen bijna ondraaglijk. De warmte maakt me duizelig en de benauwdheid jaagt zelfs mijn kat weg.
Het was half 2 ‘s nachts, welteverstaan. Ik had allang diep in slaap moeten zijn, maar het lukte niet. De flitsen buiten hielden me wakker en de donderslagen trokken mijn aandacht zodanig dat ik het donker in bleef staren, wachtend op de volgende bliksemflitsen (en dat terwijl ik normaal zo bang word van een pikzwarte kamer). Met gespreide armen en benen bleef ik naar mijn raam staren, flits na flits en donderslag na donderslag. Tot de regendruppels op mijn raam begonnen te tikken. Toen gleed opeens alle stress van me af. Alsof iemand mijn hoofd lek prikte en al het gepieker mijn hoofd uit vloog, zoals lucht uit een ballon kan doen. Het bijna ritmische getik van de regen voelde geborgen. Ja. Regen staat gelijk aan geborgenheid. Even besefte ik me weer dat ik geliefd ben en dat ik me geen zorgen hoef te maken, alles komt wel goed. Vredig viel ik toen in slaap. Met dank aan het vreemde, vreemde weer.
 

ohromeowillyoukissme:

Slaap (Taken with instagram)

ohromeowillyoukissme:

Slaap (Taken with instagram)

Geppi neemt Maxim zijn rugzak af en werpt die op het bed. Dan legt ze haar handen op zijn schouders en gaat op haar tenen staan om zijn ogen te bekijken.
‘Wat zijn ze groot, wat zijn ze blauw, heilige onschuld, daar gaat nog wat van komen! Krits, krats, ik hoor het eerste hart al breken. Kaboem, kabam, het doet pijn aan mijn oren. Trek het je niet te veel aan, jongen, het eerste hart maakt altijd het meeste kabaal. Daarna vallen ze alleen nog zachtjes, ploem, plof, als doodgeboren musjes op het mos.’


De droom van de leeuw - Arthur Japin

stuiterbal

Als een stuiterende
stuiterbal
gaat mijn liefde voor jou
op en neer


heen en weer
van hot naar her
verwarring veroorzakend
als regenachtig weer


met sterke zonnestralen
op en neer
uit de lucht
stuiterend op het aardoppervlak


Ongrijpbaar, als een zucht.

stilte

De gang, zo hol
alles weergalmt
mijn hoofd, zo leeg
de stilte vervangt


de chaos die er ooit was
het doolhof dat er ooit
stond, zonder uitweg
waar ik naar uitkeek


De gang, zo hol
mijn hoofd, zo leeg
ik heb nog nooit zo veel rust
in dit leven beleefd.  

vuur

Zijn naakte huid geplakt tegen het hare
nat van het water om hen heen
het schip is ondergegaan, het is
gedaan
met de twee


De golven willen hen mee-
nemen, langzaam
drukt hij haar zachte lichaam
tegen zich aan
het samenzijn brengt genoeg kracht
om de tragedie te weerstaan


Bedolven onder de golven
onder de kracht van de natuur
kust hij haar teder en zacht
om te tonen dat het vuur
in zijn hart
altijd zal blijven branden


En enkele minuten later
zullen zij
verstrengeld in elkaar
in de hemel stranden. 

omarm mij

Ik luister en luister
maar de stilte zwijgt
de dood
het graf in


Met in mijn oren eindeloos gesuis
lijkt het strand nabij
evenals de verlossing
maar het is bedrog


De leugenaar luistert beter, alsnog
blijf ik luisteren
en besef ik mij dat het lijkt alsof de stilte
‘omarm mij’ fluistert. 

eigenwijs

Oren die horen wat zij
zelf horen willen
het geluid moet doen smoren
de realiteit gaat verloren


Daarom zeg ik altijd ook
‘het zijn mijn oren die zo eigenwijs zijn,
niet ik;


Ik luister braaf naar ze 
en ze werken naar behoren’.